Je verlangt naar verbinding, maar zodra iemand echt dichtbij komt, trek je je terug.
Of je voelt juist onrust wanneer iemand afstand neemt en zoekt steeds opnieuw bevestiging.
Misschien pas je je gemakkelijk aan, vind je het moeilijk om grenzen aan te geven of ben je voortdurend alert op wat de ander doet. En soms gebeurt er iets tegenstrijdigs: je verlangt intens naar nabijheid, terwijl iets in jou tegelijkertijd weg wil.
Dat heeft niet alleen te maken met wat je denkt. Je zenuwstelsel speelt hierin een belangrijke rol.
Vanaf onze eerste levensjaren leren we wat veilig voelt in contact met anderen. Daaruit ontstaan verschillende manieren van hechten. We spreken vaak over veilige, angstige, vermijdende en gedesorganiseerde hechting.
Deze hechtingspatronen zijn geen fouten. Het zijn manieren waarop je ooit hebt geleerd om jezelf te beschermen en verbinding te behouden.
Daarom werk ik in mijn praktijk niet alleen met het verhaal in je hoofd. We onderzoeken samen wat er in je lichaam gebeurt wanneer je geraakt wordt. Waar ontstaat spanning? Wat gebeurt er met je adem? Wil je weg, bevries je, ga je harder je best doen of verlies je jezelf in de ander?
Door daar met aandacht en zonder te forceren bij te blijven, kan je zenuwstelsel langzaam nieuwe ervaringen opdoen. Je hoeft niet automatisch meer te reageren zoals je dat vroeger hebt geleerd.
Er ontstaat meer ruimte om te voelen wat jij nodig hebt, je grenzen te ervaren en dichtbij een ander te blijven zonder jezelf kwijt te raken.
Je verleden heeft gevormd hoe je verbinding aangaat.
Maar het hoeft niet te bepalen hoe je vandaag liefhebt, voelt en leeft.

Geef een reactie